Werkelijke activiteiten onderneming doorslaggevend voor verplichtstelling bedrijfstakpensioenfonds (BPF)

In de procedure voor de Rechtbank Midden-Nederland komt inzake de werkingssfeer een interessante casus (ECLI:NL:RBMNE:2021:1723) naar voren. Wij gaan verder in op de daadwerkelijke activiteiten van een onderneming die vallen onder de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds. In het volgende blog beschrijven wij of er sprake kan zijn van verjaring en vanaf welke datum sprake kan zijn van een verplichtstelling.

Bestaande pensioenregeling van de onderneming

De onderneming heeft voor haar productiemedewerkers een pensioenregeling, met een ‘vlakke’ premie van 6% van de pensioengrondslag ondergebracht bij een verzekeraar. Voor diverse groepen werknemers bestaan er verschillende regelingen. Hierbij geldt een eigen bijdrage van 1% van die grondslag.

Werkzaamheden onderneming

De onderneming houdt zich bezig met het vervoerbaar maken van machines, machineonderdelen en andere kapitaalgoederen van haar klanten. Het industrieel transport ervan vindt vooral over zee plaats. Omdat het gaat om exclusieve, kwetsbare en kostbare goederen is het zorgvuldig verpakken van de goederen veelal maatwerk. De te vervoeren goederen worden in aluminium hoezen, in houten kisten en in kratten verpakt. Met spanbanden en balken worden deze op houten vloeren, pallets en bokken in (zee)containers geplaatst. De onderneming vervaardigt zelf een substantieel deel van de houten verpakkingsmaterialen die noodzakelijk zijn voor schadevrij vervoer. Alleen de voor transport benodigde standaard houten pallets koopt zij, evenals karton en andere hulpmaterialen, in.

Werkingssfeeronderzoek van het pensioenfonds

De Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw heeft bij de betreffende onderneming een werkingssfeeronderzoek gedaan. Naar aanleiding van dit onderzoek is het BPF van mening dat de verplichtstelling met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2007 van toepassing is. Ambtshalve heeft zij een premienota van iets meer dan 3 miljoen gestuurd. De onderneming heeft naar aanleiding van dit onderzoek erkend houten emballage te maken. Het benadrukt wel dat het om een ‘ondersteuning van de hoofdactiviteit’ gaat. Vergeleken met de expeditie-activiteiten is de omvang van de emballage volgens de onderneming relatief beperkt. Daarnaast is zij van mening dat het uitoefenen van een bedrijf in de houtverwerkende industrie alleen sprake is als de ondernemer zich ook extern als zodanig profileert.

Uitspraak van de rechtbank

De rechter volgt de mening van de onderneming niet. Het gaat bij de vraag naar de werkingssfeer van de verplichtstellingsbesluiten om een beoordeling van de feitelijke ondernemingsactiviteiten. Dat het bedrijf zich anders presenteert (via websites, de SBI-code van de Kamer van Koophandel en dergelijke) ten opzichte van de feitelijke bedrijfsactiviteiten, heeft geen doorslaggevende betekenis. Daarnaast oordeelt zij dat bedrijfsactiviteiten, die een kernactiviteit ondersteunen en daaraan ondergeschikt zijn, geen grondslag vormen voor een verplichte aansluiting. De vervaardiging van houten kisten, kratten, vloeren, bokken en dergelijke kan niet los worden gezien van wat de onderneming als haar hoofdactiviteit beschouwt. Namelijk ‘het vervoerbaar maken’ van kapitaalgoederen.

Kortom deze uitspraak kan heel belangrijk zijn voor ondernemingen met ondersteunende activiteiten die niet direct duidelijk zichtbaar zijn door de wijze waarop het bedrijf zich profileert. Een gedegen werkingssfeeronderzoek door een onafhankelijk bureau kan verwarring en onaangename hoge kosten voorkomen. Meer weten over werkingssfeerondezoeken? Neem voor vragen contact met ons op. Wij helpen u graag.

Over de schrijver
arrow_drop_up arrow_drop_down